Inloggen

Gebruikersnaam

Wachtwoord



Wachtwoord vergeten?
Vraag hier om een nieuw wachtwoord.

Shoutbox

U dient in te loggen om een bericht te plaatsen.

13. April 2011
hoi iedereen ik ben nieuw op deze forum. ik heb een baby van 9 maanden die in een 2 de pleeggezin zit, nu blijkt dat hij hechtingsproblemen
heeft. wat normaal is want hij begon hem te hechten aan het

04. April 2011
Hallo allemaal, wij zijn twee studenten die ons eindwerk maken over de beleving van het GBS bij geadopteerden. Hiervoor zoeken we nog kandidaten. Meer informatie: forum - studenten. Alvast bedankt.

31. March 2011
Hallo allemaal. Mijn dochter van 10 jaar gaat binnekort uit huis, naar een cluster 4 school omdat ik het thuis met haar echt niet meer aan kan. Zijn er mensen die mij hun ervaring kunnen delen hierove

27. March 2011
hallo allemaal 1 hele goede tip , luister je naar je gevoel en ga daar wat mee doen ...er is er maar 1 die het kind goed kent ..n dat ben jij als moeder ..mijn dochter zit inmiddels bijna twee jaa

07. March 2011
Zin in de zomer! Grin

04. March 2011
hallo allemaal ik heb van de week te horen gekregen dat mijn dochtertje ook hechtingsstoornis heeft zie ook veel verglijkingen hier ik moet het zelf wel even allemaal laten bezinken want het acceptere

26. February 2011
Hallo allemaal, wij zijn twee studenten die ons eindwerk maken over de beleving van het GBS bij geadopteerden. Hiervoor zoeken we nog kandidaten. Meer informatie: forum - studenten. Alvast bedankt.

16. February 2011
Hallo, wij zijn vier studenten van de Katho Tielt. Wij hebben de opdracht gekregen een zorgrugzakje te maken rond hechtingsstoorniss
en. Wij zoeken nog informatie over hechtingsstoornis bij kleuters. A

11. February 2011
Hoi allemaal.Zijn eer hier misschien mensen waarvan hun kind ( mijn zoontje is 4,5 jaar )een hechtingsstoornis heeft en in een pleeggezin woont??

08. February 2011
Hallo allemaal, Even wennen zo'n forum. Ik ben ook nieuw hier. Mijn dochter van 6 heeft sinds sept 2010 de diagnose hechtingsstoornis.
Met alle bijkomende problemen. Hoop dat er mensen zijn die d

26. January 2011
Hallo allemaal, Ook ik ben nieuw hier en heb een hele hoop gelezen over hechtingsproblemen
waar mijn dochter waarschijnlijk mee te maken heeft. Ik herken heel veel en is behoorlijk zwaar. Hopelijk l

14. December 2010
hallo allemaal ik ben hier nieuw en hoop zo in contact te komen met ouders die ook kids hebben met adhd en hechtenis stoornis. ik heb er 3 met adhd en en de oudste heeft ook hechtenisstoornis Wink

09. December 2010
hallo ik ben nieuw hier en hoop veel te lezen over hechtingstoornis,i
k heb een zoontje van 6 die met deze simdroom campt..wie zou me kunnen inlichten over deze stoornis..zelf heb ik veel last van bord

05. December 2010
hallo ik ben nieuw hier.en hoop veel te lezen en leren over deze stoornis want volgens mij heeft mijn zoontje de verkeerde diagnose gekregen Angry

29. November 2010
De leden moeten inloggen om de berichten te lezen dit is niet meer openbaar, alleen die ik er op plaats kan men lezen. Het is jammer dat er weinig reacties komen.

Shoutbox Archief

PLEEGGEZINPLAATSINGEN

1) Hechting
2) Hechtingsproblematiek
3) Plaatsing en ingroei in een pleeggezin
4) Specifieke begeleiding of behandeling

1) Hechting

Hechting is het vormen van een schema in het hoofd van het kind over wat mensen doen als het kind in nood is. Veilige hechting betekent dat het kind in principe op mensen kan rekenen als het in nood is. Volwassenen bieden troost, steun en hulp en zorgen dat het kind zich veilig en beschermd voelt. De drang tot overleven is bij kinderen biologisch bepaald en komt tot uiting in signalen over de fysieke en emotionele toestand (oa huilen, lachen) die het kind via het autonome zenuwstelsel uitzendt. Gehechtheid is afhankelijk van de wijze waarop opvoeders deze signalen ontvangen, interpreteren en er op reageren (dwz sensitief en responsief zijn). De eerste drie levensjaren zijn cruciaal in de ontwikkeling van veilige hechting in die zin dat de hechtingspersonen voor het kind centraal staan in zijn leven en elementen als basisvertrouwen en wederkerigheid in relaties zich ontwikkelen. Deze elementen zijn bepalend voor de wijze waarop een kind in sociaal-emotioneel opzicht functioneert. Veilig gehechte kinderen hebben meer zelfvertrouwen, een positiever zelfbeeld, een hogere frustratie-tolerantie en zijn minder angstig dan onveilig gehechte kinderen. Ook is hun spel meer ontwikkeld en zijn ze flexibeler, zelfstandiger, leveren ze betere schoolprestaties en hebben ze meer en kwalitatief betere vriendschappen. Deze ontwikkeling zet zich voort als de kinderen volwassen worden op met name het vlak van relatievorming.

Hechting komt niet vanzelf tot stand. Hoewel een jong kind van nature geneigd is tot hechting omdat hij moet overleven hangt het ontstaan en de aard van de hechting af van de manier waarop met het kind wordt omgegaan. Nodig is dat een kind een opvoeder gaat vertrouwen. Vertrouwen kan alleen ontstaan in een proces waarbij een persoon duurzaam beschikbaar is voor het kind; deze persoon wordt de hechtingspersoon voor het kind. In dit proces ontwikkelt zich het volgende:
1. Het kind ervaart dat aan zijn behoeften wordt voldaan. Door de duurzame beschikbaarheid van de hechtingspersoon durft het kind deze persoon te gaan vertrouwen. Het durft als vanzelfsprekend te gaan rekenen op een hechtingspersoon.
2. Er ontstaat daarmee, op basis van het ervaren vertrouwen, een blauwdruk, een intern werkmodel voor de omgang met anderen, voor de verwachtingen die het kind heeft ten aanzien van de omgang met hem en voor de manier waarop het kind relaties met anderen kan aangaan en onderhouden.
3. Tegelijkertijd ontwikkelt het kind vertrouwen in zichzelf; hij merkt dat zijn gedrag het effect heeft dat hij wil bereiken.
4. Het kind krijgt een gevoel van eigenwaarde omdat zijn hechtingspersoon beschikbaar is voor hem als dat nodig is.
5. De duurzame en vanzelfsprekende beschikbaarheid van de hechtingspersoon geeft het kind bestaanszekerheid waardoor hij zich durft te ontwikkelen, zonder zijn energie te hoeven besteden om angst en wantrouwen “de baas” te blijven.
In de hechtingsrelatie tussen het kind en zijn hechtingspersoon ontstaan dus de twee voorwaarden voor persoonlijkheidsvorming: het basale vertrouwen in zichzelf en de ander. Het ontwikkelen van de hechtingscapaciteit, het kunnen aangaan en onderhouden van een hechtingsrelatie met een volwassene, is daarmee de belangrijkste ontwikkelingstaak voor het kind. Bij hechting is altijd sprake van een relatie waarvan de kwaliteit wordt bepaald door de aard van de omgang van de volwassene en het kind. De twee cruciale kenmerken van een hechtingsrelatie zijn: persoonsgebondenheid en duurzaamheid.
Een hechtingsrelatie heeft de volgende zes kenmerken:
 Gerichtheid op een specifiek persoon, de hechtingspersoon
 Duurzaamheid van de relatie
 Emotionele geladenheid van de relatie
 (Verlangen naar) nabijheid en contact met deze persoon
 Verbreking van het contact leidt tot verdriet e/o boosheid
 Troost bij verdriet en pijn wordt bij voorkeur selectief gezocht bij deze persoon.
Factoren die van invloed zijn op de hechtingsrelatie:
1) ouderfactoren (verminderde sensitiviteit en responsiviteit agv fysieke/psychische/emotionele ontoegankelijkheid opvoeder, agv verminderd cognitief vermogen opvoeder of agv dwangmatige interactie vanuit opvoeder zonder aan te sluiten bij behoeften kind –overprotectie-, intergenerationele overdracht van gehechtheid)
2) gezinsfactoren (voortdurende stress -bijv agv financiële problematiek-, relatieproblematiek tussen ouders, kortdurende relaties waardoor er verschillende mede-opvoeders in een gezin zijn)
3) kindfactoren (aanwezigheid van een stoornis of verstandelijke beperking, ernstige pijn geleden op jonge leeftijd, traumatische scheiding van primaire verzorger op jonge leeftijd -6 mnd tot 3 jr-)
Van de gehele populatie is ca 60% veilig gehecht. Het hechtingssysteem blijft het hele leven actief; ‘herstel’ op latere leeftijd is mogelijk.








2) Hechtingsproblematiek

Hechtingsverstoringen kennen twee vormen:
1) als gevolg van de aard van de hechting dwz volwassenen zijn niet betrouwbaar, laten je in de steek, willen juist iets van jou als je in nood bent, zijn onvoorspelbaar (maw fysieke en emotionele verwaarlozing)
2) als gevolg van een breuk met de hechtingsfiguur (overlijden, echtscheiding, uithuisplaatsing). Verlies van een hechtingspersoon is een traumatische ervaring.
Bij een pleeggezinplaatsing is in veel gevallen zowel 1) als 2) van toepassing en is er in die zin sprake van een dubbel trauma.

Diagnose: onveilig/angstig gehecht of hechtingsproblematiek (in de vorm van hechtingsgestoord of relatiegestoord). Alleen de diagnose ‘reactieve hechtingsstoornis’ is een DSM-IV/ICD-10 classificatie. In de reguliere pleegzorg heeft ca 70% van de kinderen hechtingsproblematiek en ca 20% een reactieve hechtingsstoornis; in de therapeutische pleegzorg is er bij ca 40% sprake van een stoornis. Er zijn enkele verschillen tussen hechtingsproblematiek en een hechtingsstoornis. Aan het ontstaan van een hechtingsstoornis ligt vaak pathogene zorg (mishandeling/verwaarlozing) ten grondslag, een hechtingsstoornis gaat meestal gepaard met een emotionele stoornis, bij een hechtingsstoornis is sprake van ernstigere, langdurigere en moeilijk te beïnvloeden problematiek en bij een hechtingsstoornis is sprake van een ernstig tekort aan basisvertrouwen daar waar bij een hechtingsprobleem sprake is van een verstoorde ouder-kindrelatie.
Diagnostiek is lastig aangezien er weinig diagnostisch materiaal is gericht op hechting. Feit is dat een spelobservatie van een kind onvoldoende is om de diagnose te kunnen stellen, maar dat er minimaal sprake moet zijn van een interactie-observatie tussen opvoeder en kind. De reactie van het kind op de scheiding en hereniging met de opvoeder en de contactname met vertrouwde en vreemde volwassenen is namelijk cruciaal bij het stellen van de diagnose. Andere diagnostische middelen om meer zicht te krijgen op de hechtingsrelatie zijn anamnesegesprekken met ouders, dossieranalyse, informatie school, gedragsvragenlijsten, intelligentietest, spel, projectiemateriaal en –meer specifiek- de GIH (Globale Indicatielijst Hechting).

Kinderen met hechtingsproblematiek hebben vrijwel altijd ook integratiestoornissen omdat ze een weinig coherent beeld van zichzelf en de omgeving hebben kunnen ontwikkelen. Zij zijn ahw gefragmenteerd en vertonen onvoorspelbaar toenaderings- en afstotingsgedrag.
Onderliggend is er sprake van weerstand ten opzichte van relaties als gevolg van angst voor (herhaald) vacuüm. Bij gebrek aan basisvertrouwen (geen zelfvertrouwen en geen vertrouwen in anderen) gaat alle energie van het kind naar zelfhandhaving. Een kind dat zich niet geborgen voelt heeft twee manieren om zich staande te houden.
1) –vechten- het kind wil continu controle houden cq ervaren dat het invloed heeft op de omgeving door middel acties ten opzichte van de omgeving, die dusdanig extreem zijn dat de omgeving wel moet reageren. De uitingsvorm van deze vorm van zelfhandhaving kan divers zijn: druk & chaotisch gedrag, agressief gedrag, destructief gedrag, claimend/aandachtvragend gedrag of schijnaanpassing (twee gezichten, dubbele bodem)
2) –vluchten- het kind trekt zich terug en doet geen beroep meer op de omgeving.


Affectregulatie
Affectregulatie wordt bepaald door de hersenen.
1) Hersenen ontwikkelen zich ervaringsafhankelijk. Bij de geboorte is 40% van de hersenen ontwikkeld; de overige 60% ontwikkelt zich in het eerste levensjaar. Hoe meer positieve ervaringen, des te rijkere en meer gedifferentieerde ontwikkeling van de hersenen (meer neurologische vertakkingen cq neutronencircuits). In de primaire hechtingsrelatie leert het kind met zijn zich ontwikkelende rechterhersenhelft hoe hij contact maakt en communiceert. De rechterhersenhelft ontwikkelt zich het snelst vanaf het laatste trimester van de zwangerschap tot ongeveer 24 maanden na de geboorte. Deze helft is dominant voor de hantering van emoties, de zelfregulatie en de ontwikkeling van het zelf en heeft directe verbindingen met de stress-regulerende systemen in de hersenen. Verwaarlozing op emotioneel vlak in het eerste levensjaar leidt dus tot neurologische schade (missen van sensorische, emotionele en liguïstische verbindingen en hierdoor beperkte reflectieve capaciteiten), fysieke schade (over- of onderprikkeling van het sensorische systeem waardoor signalen –honger,kou- niet worden doorgegeven of juist te sterk binnenkomen) en psychologische schade (slaap-en eetproblemen, emotionele verstoringen). Jonge kinderen (0-4 jaar) in pleeggezinnen hebben vaak een minder ontwikkelde en gedifferentieerde rechterhersenhelft en vertonen bijna zonder uitzondering neuro-endocriene disregulatie in de vorm van evenwichtsverstoringen in de regulatie van stresshormonen, overprikkeling, niet te kalmeren zijn, slaap- en eetproblemen.
2) Door een gebrek aan liefde, vertrouwen, stabiliteit en voorspelbaarheid ontstaat er spanning bij het kind. De spanning die het kind ervaart leidt tot een fysiologische reactie in het middenhersengedeelte, dat op 2 manieren reageert op spanning: vluchten of vechten. Door de stress agv de beschadiging van liefde en vertrouwen ontstaat er pijn, zich uitend in gevoelens, te weten woede of schaamte en zich vervolgens uitend in acties cq gedrag in toekomstige relaties, te weten controle of chaos/loslaten. Controle kan zich vertalen in een reactieve hechtingsstoornis van het geremde type (vluchten) en chaos in een reactieve hechtingsstoornis van het ontremde type (vechten). Gesteld kan worden dat emoties en acties (agv niet te verminderen spanning en leegte in het kind) als terugtrekken, dreigen en manipuleren dus fysiek bepaald zijn. Het middenhersengedeelte speelt hierin een rol. Het destructief recht (zich uitend in terugtrekken/dreigen/manipuleren) is een fysiek bepaald recht.

Onderscheid hechtingsgestoorde en relatiegestoorde kinderen
A) Hechtingsgestoord= angstig-vermijdend/gereserveerd hechtingsgedrag (15%)
Oorzaak: consistent onresponsief opvoedingsklimaat (vanaf de conceptie/geboorte zijn opvoeders onvoldoende beschikbaar); volwassenen laten je altijd in de steek als je in nood bent (beleving: relaties en emoties zijn onbelangrijk)
Vergelijkbaar met reactieve hechtingsstoornis van ontremde type: diffuus hechtingsgedrag dwz ongedifferentieerde vriendelijkheid gepaard aan een duidelijk onvermogen om op de juiste wijze selectieve hechting aan te gaan, zich uitend in een overdreven vrijpostigheid tegenover relatieve vreemden of een gebrek aan selectiviteit bij de keuze van hechtingsfiguren.
Kern: 1) gebrek aan selectiviteit 2) onvermogen om relaties te behouden (gedisinhibeerd gedrag)
Kenmerken
emotioneel:
• weinig impulscontrole
• gefrustreerd
• agressief
• boos
• angstig
• wantrouwend
• negatief zelfbeeld
• geen basisvertrouwen
• geen zelfvertrouwen
• geen vertrouwen in volwassenen
• geen eigenheid
• ervaringen beklijven niet
cognitief:
• gevoelig voor prikkels
• concentratiezwakte
• (taal)achterstand
sociaal:
• beheersen/domineren/controleren
• eisen/dwingen/claimen
• gedesorganiseerd
• onverschilligheid
• manipuleren
• geringe sociale vaardigheden
• grensoverschrijdend gedrag
• liegen/stelen
• zelfdestructief gedrag
• onvermogen relaties aan te gaan
• nabijheid zoeken/te weinig distantie nemen/allemansvriend
• onveilig en ongedisciplineerd exploreren
• vluchtig spelgedrag

B) Relatiegestoord=angstig-ambivalent/afwerend/gepreoccupeerd (10%) of angstig-gedesorganiseerd/gedesoriënteerd hechtingsgedrag (15%)
Oorzaak: 1) inconsistent responsief opvoedingsklimaat (bij angstig-ambivalent); volwassenen reageren vanuit hun eigen behoefte cq volwassenen willen iets van jou als je in nood bent (vanaf vroege jeugd zijn opvoeders onvoldoende beschikbaar). 2) wisselvallig responsief (bij angstig-gedesorganiseerd); op volwassenen kun je soms wel rekenen als je in nood bent en soms niet; volwassenen zijn soms een bron van troost en soms een bron van angst (komt vaak voor bij mishandelde kinderen).
Vergelijkbaar met reactieve hechtingsstoornis van geremde type: voortdurend onvermogen om het initiatief te nemen tot of op een bij de ontwikkeling passende wijze te reageren op de meeste sociale interacties, zoals blijkt uit overmatig geremde, te waakzame of sterk ambivalente en tegenstrijdige reacties. Reactie op verzorgers bestaat uit mengeling van toenadering, vermijding en verzet tegen troosten of een bevroren waakzaamheid.
Kern: gestoordheid van sociale interacties (geinhibeerd gedrag)
Kenmerken
emotioneel:
• verminderde impulscontrole
• licht gefrustreerd
• automutilatie
• nervositeit
• afhankelijk gedrag
• depressiviteit
• passiviteit en lusteloosheid
• angst
• verlatenheid en teleurstelling
• wantrouwen
• lage zelfwaardering
• ervaringen beklijven
cognitief:
• gevoelig voor prikkels
• concentratiezwakte
• lichte (taal)achterstand
sociaal:
• aanklampen
• teruggetrokken gedrag
• hulpeloosheid
• passiviteit
• nabijheid wensen-nabijheid weren (ambivalentie)
• geringe sociale vaardigheden
• onvermogen relaties vorm te geven
• verminderd inzicht in sociale situaties

In schema:
Verwachting van hulp
I
veilig I onveilig ambivalent
I
Zelfstandigheid-----------onveilig gedesorganiseerd---------------Schijnzelfstandigheid
I
I onveilig vermijdend
I
Verwachting van geen hulp


Relatie hechting-loyaliteit
Hechting en verbondenheid zijn geen inwisselbare grootheden, maar wel verweven. Kort gezegd: hechting= gebondenheid aan een persoon; loyaliteit=verbondenheid aan personen door de generaties heen. Kinderen (en volwassenen) wiens eerste levensjaren cq jeugdervaringen in balans zijn vwb geven en nemen (dwz veilige hechting) kunnen goed individualiseren en separeren van hun stamgezin.
Bij kinderen met hechtingsproblematiek is de responsiviteit (=het geven) niet adequaat, waardoor de balans tussen geven en nemen verstoord is.
Gevolgen:
- kinderen met hechtingsproblemen blijven qua ‘nemen’ steken op peuterniveau, waardoor ze geneigd zijn te nemen wat hen toekomt (=destructief recht). Dit houdt in dat hun gewetensontwikkeling op peuterniveau functioneert: extern geweten, niet schuldig voelen, geen verantwoordelijkheid nemen, eigen aandeel niet zien.
- kinderen met hechtingsproblemen gaan zelf compenseren door te ‘geven’ en worden zorgdragend/geparentificeerd, zondebokken of geruisloze/perfecte kinderen. Bij plaatsing in een pleeggezin dient dit ‘geven’ eerst erkend te worden om het te kunnen ombuigen; dit is een voorwaarde voor het kind om te kunnen hechten.
- bij kinderen met hechtingsproblematiek is de zijnsloyaliteit tussen ouders en kinderen vaak versterkt. Met name bij verwaarloosde en mishandelde kinderen komt overloyaliteit naar de biologische ouders voor, hetgeen mogelijk wordt versterkt door het feit dat kinderen in een pleeggezin met welwillende en begripvolle pleegouders nog sterker geconfronteerd worden met de tekortkomingen van de biologische ouders.
Daarnaast is het van belang om loyaliteit op te merken en te erkennen als belangrijke voorwaarde voor hechtingsrelaties. Hieruit komen twee werkpunten naar voren die het hechtingsproces van kinderen kunnen stimuleren: 1) werken met ouders om te kunnen verdragen dat hun kinderen zich verbonden voelen met het pleeggezin 2) werken met pleegouders om loyaliteiten van kinderen naar ouders toe een plaats te geven zodat betrokkenheden, omgangsvormen, codes en normen in het pleeggezin geen foutverklaring van het gezin van herkomst inhouden maar als ‘anders’ mogen bestaan.


3) Plaatsing en ingroei in een pleeggezin

Doel: begrenzen van onbegrensde wereld
Fasen:
1) fase van kennismaking, gewenning, oriëntatie, schijnaanpassing (3 mnd-1 jaar)
2) fase van integratie, overgangsfase, fase van cognitieve of morele ingroei (1e-2e jaar): wederzijdse aanpassing, herschikking van onderlinge posities, herziening van gewoonten en regels, ontstaan van herkenbaarheid en veiligheid, ontstaan van begin van de relatie. Gedrag wordt begrensd door gewoonten en leefregels en er is sprake van invoegen op het vlak van regels en posities. In deze fase is vaak nog sprake van een ‘emotioneel vacuüm’.
3) fase van intensivering van relaties, fase van emotionele ingroei (2e-4e jaar): deze fase heeft in feite twee subfasen: a) differentiatie in gevoel tussen vertrouwde volwassenen en vreemde volwassenen b) de ontwikkeling van het basisvertrouwen, waardoor gevoelens van onzekerheid, angst en spanning beheersbaar worden gemaakt. Gedrag wordt in toenemende mate begrensd door differentiatie tussen personen en door de aanwezigheid van basisvertrouwen. Heftige fase. Aangezien gestoorde percepties en gedragingen in deze fase sterk naar voren komen is sprake van veel onzekerheid, spanning en conflicten.
Pas na fase 3 kan ‘hernieuwde rust’ ontstaan in de vorm van een veilige en evenwichtige verhouding tussen het pleegkind en de pleegouders.
Duur van de fasen hangt van aantal factoren af zoals voorgeschiedenis, hechting, leeftijd van het kind en mate van responsiviteit en sensitiviteit van de pleegouders (max 5 jaar).
Opvallend: bij eigen kinderen cq reguliere hechtingsontwikkeling: eerst emotionele ontwikkeling/hechting, daarna morele ontwikkeling/differentiatie (geen geweld gebruiken, niet profiteren, aan afspraken houden, niet liegen). Bij pleegkinderen na overplaatsing: eerst morele ontwikkeling (regels, afspraken, vertrouwen schenken, voorschotsband), daarna emotionele ontwikkeling (onvoorwaardelijkheid, basisvertrouwen, wederkerige verbondenheid).
Geinhibeerd gedrag verdwijnt sneller na een pleegzorgplaatsing dan gedisinhibeerd gedrag maw relatiegestoorde kinderen hebben meer kans op een snelle en positieve ingroei dan hechtingsgestoorde kinderen.

Aanpak pleegouders
Basale aspecten in de aanpak van pleegouders zijn zorggedrag (voldoen aan basisbehoeften en laten zien dat het pleegkind onderdeel uitmaakt van het gezin), geduld, veerkracht en betrokkenheid.
Specifiek voor pleegkinderen met hechtingsproblematiek kan het volgende mbt de aanpak worden gesteld.
Doel: leren individualiseren vanuit verbondenheid. Dit betekent: beginnen bij de peuterleeftijd en vervolgens voorwaarden voor emotionele inhaalgroei creëren.
Proces: vanuit peuterfase (1-op-1, eigen lustbehoefte vervullen) naar kleuterfase (driehoeksrelaties, jezelf nog steeds centraal stellen) naar basisschoolleeftijd (balans tussen geven en nemen, wederkerigheid, loyaliteit naar gezinsleden en vriendjes)
Hieruit vloeit een aantal aandachtspunten mbt de aanpak voort:
 Verwachtingen van pleegouders dienen realistisch te zijn. Sommige pleegouders gaan ervan uit dat het kind snel zal veranderen als het in een liefdevolle omgeving verblijft. De zingeving voor veel pleegouders bestaat juist ook uit het krijgen van een band met het kind om zo het kind optimale kansen in de samenleving te bieden. Juist het falen in deze zingeving kan voor pleegouders, die relatiegericht en persoonsbetrokken zijn, pijnlijk en frustrerend zijn. Eigenlijk is er sprake van een proces waarin met vallen en opstaan gezocht wordt naar relatiemogelijkheden. Er dient een balans gevonden te worden tussen bijstellen van de eigen verwachtingen en tegelijkertijd openstellen voor het pleegkind. Er kan gesproken worden van een “voorschotsband”; handelen alsof er al een band bestaat (gebeurt ook bij babies), terwijl het kind nog ruimte heeft om afstand te bewaren.
 De ernst van de hechtingsproblematiek kan afgemeten worden aan de mate waarin het kind zich schijnbaar moeiteloos in het gezin beweegt. De afwezigheid van uitingen als heimwee, verdriet of ontheemd zijn gedurende de eerste weken of maanden van een plaatsing is een verontrustend voorteken.
 In het algemeen wordt het gevoel van voorspelbaarheid, overzichtelijkheid en (dus) veiligheid vergroot door:
- expliciet benoemen en bevestigen van handelingen en gevoelens van het kind zodat een kind zich gehoord, gezien en begrepen voelt
- duidelijkheid, voorspelbaarheid, rust en begrenzing bieden middels expliciete regels, gewoonten, grenzen, herhaling, een dagprogramma en evt visuele ondersteuning (kalender, pictogrammen)
- veel beweging, met name na een moment van spanning of inspanning
 Pleegouders dienen op een empathische en ondersteunende manier aandacht te hebben voor de gevoelsuitingen van hun pleegkind. Voor veel pleegkinderen is het uiten van boosheid, verdriet of angst gevaarlijk. Dit kan samenhangen met geweldservaringen in het verleden, maar ook met angst voor repercussies en onvoldoende vertrouwen in de stevigheid van de band met pleegouders. Pleegkinderen zijn bang dat negatieve emoties ertoe leiden dat zij weggestuurd worden. Sommige pleegkinderen proberen deze gevoelens te onderdrukken, waarmee zij zichzelf de kans ontnemen om tijdens de conflicten de betrouwbaarheid van (nieuwe) relaties te testen. Kinderen moeten nog leren dat je het na een ruzie kunt goedmaken en hoe je dat kunt doen. De kwaliteit van de emotionele relatie blijkt niet uit het aantal conflicten binnen de relatie, maar uit de mogelijkheid tot het oplossen van de conflicten cq tot verzoening.
 Pleegouders dienen de overlevingswaarde van gedragingen van het pleegkind te herkennen en onderkennen. Wanneer pleegkinderen deel gaan uitmaken van een pleeggezin, wordt de oorsprong van overlevingsstrategieën vaak onduidelijk. Dezelfde strategieën die het kind jarenlang houvast hebben geboden, kunnen nu als dysfunctioneel en problematisch worden beschouwd. Het bewaren van emotionele afstand kan het kind de mogelijkheid bieden het pleeggezin in eigen tempo te testen op veiligheid en voorspelbaarheid. Wanneer pleegouders ‘probleemgedrag’ van pleegkinderen kunnen herdefiniëren naar ‘krachten’ gebruikt om te overleven, resulteert dit in meer begrip en een groter incasseringsvermogen bij pleegouders.
 Er lijkt bij pleegkinderen –meer dan bij eigen kinderen- sprake van een algemene tendens om zich bij conflicten met hun pleegouders terug te trekken. Pleegkinderen communiceren hun emoties minder vaak dan eigen kinderen en zoeken minder vaak sociale steun. In het bijzonder het uiten van boosheid lijkt voor hen gevaarlijk. Ze zijn bang voor straf of andere consequenties of hebben het gevoel machteloos te zijn iets aan de situatie te veranderen. Pleegouders moeten –vanuit vermeende herkenning- niet invullen voor een kind omdat ze denken te weten hoe het zit, maar moeten juist doorvragen naar zowel feiten als emoties. Juist als kinderen het gevoel hebben dat er niet naar hen wordt geluisterd vallen ze terug in oud, ongewenst gedrag.
 Pleegouders dienen hun verwachtingen en standpunten te expliciteren. Vaak worden alleen de morele verwachtingen (en niet de emotionele verwachtingen) geëxpliciteerd. Op zich is dit een mooi beginpunt. Blijkbaar bieden pleegouders op het morele domein de mogelijkheid tot zekerheid, vertrouwen en ingroei. Als de bedoelingen en verwachtingen van de relatie tussen pleegouder en pleegkind duidelijk zijn, wordt het mogelijk om van morele ingroei tot emotionele ingroei te komen en kan het emotionele vacuüm worden doorbroken.
 Pleegouders dienen rekening te houden met een emotionele leeftijd bij het kind van 2-3 jaar. Dit houdt concreet in:
 kinderen redeneren vanuit eigen behoefte, geen verantwoordelijkheid nemen, eigen aandeel niet zien
 kinderen switchen tussen babygedrag (fysieke veiligheid en steun zoeken) en peuter/kleutergedrag (eigen wil tonen, autonomie laten zien)
 kinderen hebben hulp bij fysieke verzorging nodig
 kinderen hebben lichamelijk, zintuiglijk contact nodig, hetgeen middels activiteiten gestimuleerd kan worden: stoeien, knuffelen, babymassage, schootspelletjes, samen in bad gaan, vliegtuigje en schommelpaardje spelen
 bij geen lichamelijk contact verbinding leggen via stemcontact
 laag tempo hanteren
 materiaal: speelgoed, boekjes, muziek van lager leeftijdsniveau met veel herhaling
 materiaal aanbieden dat vernield mag worden cq ruimte creëren waarin vernield mag worden
 hoe meer zintuigen er worden aangesproken, hoe meer er ingehaald wordt (dansen, zingen, spelletjes)
 duidelijkheid middels consequente ik-boodschappen, een vast (dag)ritme en vaste plekken (ook tav kamerindeling en meubels)
 Pleegouders dienen -het tempo van het kind- te volgen in plaats van zelf het initiatief te nemen; kinderen bepalen en kiezen zelf persoon en activiteit. Risico van overstimulatie na periode van onderstimulatie is aanwezig. Als het kind te moe is om naar school te gaan dan gewoon thuishouden ivm prioriteit voor relatie opvoeder-kind
 Pleegouders zouden een vast moment op de dag moeten creëren waarop ze samen met het kind een interactie, spel of bezigheid hebben. Omdat het voorstellingsvermogen vaak zwak ontwikkeld is tevens proberen door meespelen het vermogen om tot verbeeldend spel te komen te stimuleren. Het kind dient te leren dat er twee werelden zijn: een echte wereld en een fantasiewereld, die echter met elkaar geïntegreerd moeten en kunnen worden.
 Omgaan met ongewenst gedrag:
 Beginnen met het achterhalen van de oorzaak van het ongewenste gedrag voordat gestraft wordt (wat zijn de omstandigheden en wat ging vooraf aan het ongewenste gedrag)
 Realiseren dat straffen alleen helpt bij een kind dat de relatie met de opvoeders goed wil houden. Kinderen met hechtingsproblematiek hebben geen relatie die ze goed willen houden, waardoor straffen niet het gewenste effect heeft en slechts leidt tot verharding
 Simpel, snel en duidelijk straffen (bijv geen tv kijken), gevolgd door een snelle, bij voorkeur fysieke verzoening. Als fysieke verzoening niet mogelijk is dan samen iets coöperatiefs ondernemen (cake bakken, tuin werken, timmeren….in elk geval geen competitiespel)
 Bij escalaties/impulsuitbarstingen de “stoplichtmethode” inzetten (groen= alles gaat goed; oranje=er ontstaat irritatie; rood=de zaak escaleert). Met kind regel afspreken: “als ik boos word en licht springt op oranje dan……. (time-out!)”
 In te zetten time-out moet bij voorkeur ‘fysiek’ zijn: fietsen, hardlopen, trampoline springen, tekenen, schrijven, naar muziek luisteren, op boksbal slaan
 Indien er sprake is van een negatieve spiraal: B&L-methode inzetten dwz onderscheid maken tussen belangrijke problemen (ontwikkelingsstagnatie) en lastige problemen, waarbij alleen aan de belangrijke problemen gewerkt dient te worden
 Bij time-out/straf: niet afzonderen (op gang of eigen kamer), maar in dezelfde kamer op vaste plek zetten
 Bij fysieke agressie: holding dwz omklemmen met armen en benen en heen en weer bewegen
 Vrijetijdsbesteding voor deze kinderen moet gestructureerd en veilig zijn. Fysiek bezig kan het kind helpen zich letterlijk beter in zijn vel te voelen. Bij een sport niet kiezen voor een teamsport en geen sport waarbij het prestatie-element een rol speelt (competitie vormt vaak aanleiding voor conflict)
 Begeleiden=verbinden, steunen, bevestigen en de schuldvraag relativeren en neutraliseren. Pleegouders moeten zich zo min mogelijk persoonlijk gekwetst voelen, maar het gedrag van het kind zien als voortkomend uit een emotionele handicap. Dit neemt niet weg dat pleegouders zich niet teleurgesteld, machteloos, onzeker of geïrriteerd mogen voelen. Deze gevoelens geven aan dat een pleegouder betrokken is op het kind. Betrokkenheid is de sleutel om het hechtingsproces tussen pleegouders en kind te bevorderen. Emotionele inhaalgroei is een langdurig proces (qua duur vergelijkbaar met de leeftijd waarop het kind in het pleeggezin komt) met veel momenten van terugval. Advies: kijken naar het klimaat en niet naar het weer.
 Aanpak pubers met hechtingsproblematiek:
 Losmaken is juist bij pubers met hechtingsproblemen moeizaam, waarbij een aandachtspunt is dat zij niet losgelaten worden omdat de pleegouders geen vertrouwen in hen hebben. Feit is ook dat de jongere niet in staat is tot het onderhouden van wederkerige relaties, niet in staat is tot sociale en financiële zelfstandigheid en een gebrek aan normbesef en verantwoordelijkheid heeft……toch neemt dit niet weg dat loslaten de voorwaarde blijft voor losmaken!
 Loslaten betekent NIET doorknippen, maar een andere manier van vasthouden (om autonoom te kunnen zijn heb je bindingen nodig). Nog sterker dan bij andere pubers kan het gevoel overheersen een hotel- of oppasfunctie te hebben; wellicht is dit het maximaal haalbare in deze fase.
 Puberteit houdt in andere omgangsregels mbt afstand en nabijheid. Juist dit thema is bij deze pubers (vanuit 1) pleegkind-zijn en 2) hechtingsproblematiek) zeer beladen.
 Weinig verwachtingen hebben en pubers- hoe moeilijk ook- zelf keuzes laten maken mbt taken en zaken (uiterlijk, hobby’s, school, werk, vrienden). Zij zullen hierin zeer veranderbaar zijn, maar uiteindelijk komen tot stabielere en meer realistische keuzes.
 Ondervoede kinderen, met name meisjes, komen eerder in de puberteit. Als reactie op de overvloed aan eten vindt een versnelde rijping van het lichaam plaats. Hierdoor wordt de kloof tussen de lichamelijke en de emotionele ontwikkeling –die er toch al was- nog groter.
 Specifiek aandachtspunt is de seksualiteit in die zin dat seksuele spelletjes vaak een minder vrijblijvend en onschuldig karakter hebben als gevolg van het ontbreken van de koppeling seksualiteit-genegenheid en het ontbreken van schaamtegevoelens en zelfrespect. Kinderen met hechtingsproblematiek zijn meer geneigd te handelen volgens het lustprincipe; er is ook een grotere kans op zwerven, drugs en zwangerschap aanwezig.
 Positieve kanten zoveel mogelijk versterken (intelligentie, verschijning, talenten op vlak van sport of muziek)


4) Specifieke begeleiding of behandeling

Tijdens fase van emotionele ingroei is sensitiviteit (aanvoelen welke signalen kind uitzendt en wat kind nodig heeft) en responsiviteit (reageren op de emotionele en relationele vragen van het kind) van pleegouders soms niet voldoende. In dat geval is een meer therapeutische benadering of behandeling noodzakelijk.
Er zijn drie problemen bij de behandeling van hechtingsproblematiek:
1) de diagnostische afgrenzing van hechtingsstoornis met andere stoornissen (ADHD, gedragsstoornis, contactstoornis)
2) beperkte behandelmogelijkheden
3) gebrek aan kennis over effectiviteit van interventies
Begeleiding of behandeling (in de vorm van spel, therapie, activiteiten of gesprekken) is altijd gericht op het vergroten van het basisvertrouwen, dus is altijd gericht op kind en pleegouders samen, maar kan zowel in als buiten het (pleeg)gezin plaatsvinden.

Sherborne methode

Doel: Bewegingsprogramma voor kinderen van ca 3 tot 11 jaar voor de ontwikkeling van lichaamsbewustzijn. Door toename van het bewustzijn is er een toename van vertrouwen in zichzelf en de anderen. Contact, plezier, creativiteit en individuele groei zijn het uitgangspunt.
Middel: op een gerichte en fysieke wijze praktische spelletjes en oefeningen doen. Begeleider benoemt het gedrag van pleegouders en kind en stimuleert hiermee het bewustwordingsproces bij beiden. Elke oefening sluit aan bij de signalen die het kind geeft, waardoor pleegouders uitgenodigd worden sensitief hierop te reageren. Vier tot zes bijeenkomsten van 45 minuten.

Een verwante vorm is de PMT (psychomotorische therapie), waarin kinderen leren hun lichaam en zintuigen te gebruiken.

Holdingtherapie

Doel: emotionele inhaalgroei van eerdere -emotionele- fasen in ontwikkeling die niet/onvoldoende doorlopen zijn.
Middel: Fysieke omsluiting. Het liefdevol vasthouden van het kind door de opvoeder, net zolang tot er na heftige emotionele uitbarstingen volledige ontspanning en zachtheid bij het kind optreedt. Door de intense relatie tussen opvoeder en kind kan de eerste (onveilige) hechtingsrelatie ‘overschreven’ worden.
Fasen: 1) weerstand en woede 2) overgave 3) droefheid en pijn 4) toenemend vertrouwen en hechting
Aandachtspunten:
1) voorwaarden: a) onvoorwaardelijkheid van relatie opvoeder-kind b) kind moet –uiteindelijk- in staat zijn controle over situatie los te laten
2) het sluit niet aan op de signalen die het kind uitzendt; de grenzen van intimiteit/afstand-nabijheid worden voor het kind juist overschreden
3) in fase 1 (=de fase van weerstand en woede) zal het kind allerlei afweerreacties vertonen om de controle over de situatie te behouden (gillen, krijsen, bijten, spugen, schelden, schoppen, broekplassen)
4) extreem regressief gedrag –ook naar een periode dat pleegouders nog niet betrokken waren in het leven van het kind- kan het gevolg zijn
5) langdurig en intensief; start=dagelijkse holdingsessies (duur: half tot twee uur)
6) onnatuurlijke situatie cq staat buiten de alledaagse werkelijkheid; risico bestaat bijvoorbeeld dat kind in dagelijkse situatie niet liefdevol wordt benaderd.

Differentiatietherapie (kinderen die hechtingsgestoord zijn)

Theoretisch kader: Differentiatie is de voorwaarde voor hechting. Kind met hechtingsstoornis heeft niet de mogelijkheid om te kunnen onderscheiden cq moet dit nog aanleren. Opmerking hierbij: in het ontwikkelingsproces gebeurt het juist andersom: differentiatie/morele ontwikkeling vloeit voort uit hechting/emotionele ontwikkeling!
Doel: zich richten op een specifieke volwassene/het maken van onderscheid tussen verschillende volwassenen.
Middel: het ervaren van het ‘onderscheiden’, van de verschillende structuren in de werkelijkheid om het kind heen. Moet (in fase 2) gebeuren door een psychotherapeut en kan soms zeer langdurig zijn (90 sessies).
1) gedragsregulering middels sancties en beloningen (drie maanden). Gedragsverandering gebeurt in drie stappen volgens een vaste volgorde: a) stoppen van ongewenst gedrag middels corrigeren, straffen 2) aanleren van nieuw, gewenst gedrag middels bekrachtigen, belonen 3) afleren van ongewenst gedrag middels negeren, uitdoven.
2) Na drie maanden wordt psychotherapie toegevoegd, waarin het differentiatieproces in 5 fasen wordt gestart.
• Eetfase: differentiatie op de tong cq in de mond (in de spelkamer door middel van eten en het aanbrengen van grenzen hierin; doel is stilstaan bij eten)
• Differentiatie van het gevoel (in het begin alleen feiten benoemen, later steeds meer emoties benoemen)
• Zorgfase: differentiatie door samen te zorgen voor spullen (fase waarin de speltherapeut in de kamer blijft, maar expliciet niet beschikbaar is voor het kind)
• Differentiatie van het gevoel in de handen (sensopathisch spel met water, zand en klei)
• Differentiatie in het spel (soort spel, rollen)
Gedurende deze fasen doorlopen pleegouders in de thuissituatie dezelfde fasen en benoemen ze dezelfde activiteiten/zaken.
Differentiëren is een continu doorlopend proces en kan –als voorwaarde tot hechten- ook gebeuren in een gezinshuis of behandelgroep (met het oog op latere plaatsing bij vaste opvoeders). In feite is differentatie het bouwen aan een fundament voor hechting.

Fasetherapie (kinderen die relatiegestoord zijn)

Theoretisch kader: kind heeft fasen behorend bij opbouw van basisvertrouwen overgeslagen en moet deze inhalen cq opnieuw doorlopen
Doel: 1) opnieuw leren omgaan met nabijheid 2) vergroten van zelfwaardering
Middel: nabijheidsvormen behorend bij de verschillende leeftijdsfasen worden fase voor fase begrensd aangeboden door de pleegouders in de eigen vertrouwde omgeving.
1) bespreking therapie (met name inzet en forse emotionele investering) met pleegouders
2) bespreking therapie met kind (inclusief expliciete instemming)
Uitvoering therapie door de pleegouders in fasen.
Therapie vindt plaats in de thuissituatie twee keer per week 10 minuten voor het slapen gaan. Regressief gedrag wordt alleen op die momenten toegestaan (en zelfs gekoesterd) maar tevens begrensd door de tijdsduur; de rest van de dag wordt het kind aangesproken op zijn kalenderleeftijd.
Daarnaast praat de therapeut in de spelkamer wekelijks met het kind over het proces dat doorlopen wordt.
Elke fase duurt gemiddeld 3 maanden en wordt afgesloten met het maken van een collage. Elke nabijheidsvorm van de vorige fase moet goed geaccepteerd worden cq vormt de voorwaarde voor de volgende fase. Als een bepaalde fase langer duurt, duren de volgende fasen vaak ook langer.
• Babyfase
Vraag: voeding, verzorging, emotioneel en lichamelijk contact, aanhaling, streling
Antwoord pleegouders: kijken wat kind nodig heeft en op juiste moment gepast antwoord geven
Resultaat: basisvertrouwen in omgeving en in eigen lichaam (vs wantrouwen). Vertrouwen ontstaat in het contact met een sensitieve en responsieve volwassene.
Nabijheidsvorm: lichamelijke geborgenheid cq uit handen geven van de controle: in armen van pleegouder liggen zonder te praten, samen babyfoto’s kijken, praten over wat baby’s fijn vinden
• Peuterfase
Vraag: ontdekken van grenzen en mogelijkheden van zichzelf en de ander, zindelijkheid
Antwoord pleegouders: terzijde staan bij exploratie, helpen bij integratie van al het nieuwe, balans vinden tussen ruimte geven en grenzen stellen/beschermen
Resultaat: autonomie (vs schuld en schaamte), gevoel van zelfvertrouwen, trots, wilskracht
Nabijheidsvorm: terzijde staan bij exploratie: samen bekijken van grote prentenboeken en benoemen van gedachten, gevoelens, gebeurtenissen, personen en relaties mbt dagelijks herkenbare situaties in deze boeken
• Kleuterfase
Vraag: verdere verkenning van de wereld, toenemend vermogen om ‘los’ te functioneren, toenemende beheersing van gedrag en emoties
Antwoord pleegouders: vertrouwen geven, vrijlaten, bevestigen, hulp bij integreren, nieuwe balans in stimuleren en beschermen, rust bieden, begrenzen
Resultaat: initiatief nemen (vs schuldig voelen)
• Basisschoolfase
Vraag: ontdekken, ervaren van succes in presteren, contacten met leeftijdgenoten
Antwoord pleegouders: rekening houden met (on)mogelijkheden van het kind, bijstaan bij moeilijkheden en teleurstellingen, rust bieden, kader (grenzen en normen) bieden
Resultaat: competentie (vs minderwaardigheidsgevoel)
Nabijheidsvorm in zowel kleuterfase als lagere schoolfase: rust creëren door middel van voorlezen uit boeken. Kleuterfase: boeken van Jip en Janneke (over het dagelijks leven met thema’s als vriendschap, ruzie en trouw). Basisschoolfase: kind mag zelf boek kiezen.
• Adolescentiefase
Vraag: hypothetisch denken, zich losmaken van pleegouders en hun normen/waarden, richten op leeftijdgenoten, aangaan van intieme relaties, experimenteren met andere normen en waarden en richten op seksualiteit
Antwoord pleegouders: ruimte voor experimenteren, stimuleren van eigen keuzes, vrijlaten
Resultaat: identiteitsontwikkeling (vs rolverwarring)
Nabijheidsvorm: loslaten zonder door te knippen
3) vervolg emotionele ingroei in het gezin
Contra-indicaties:
- te veel onrust of onveiligheid in het pleeggezin of het kind
- geen instemming van pleegouders of kind
- beperkte mogelijkheden bij pleegouders of kind (bijv zwakbegaafdheid, PDD-NOS)

Emotionele omsluiting (kinderen jonger dan 9 jaar)
(Reden voor leeftijdsgrens: behandeling maakt gebruik van pleegouders en kinderen ouder dan 9 jaar zijn meer gericht op leeftijdgenoten dan op pleegouders)

Theoretisch kader: pleeggezinplaatsing alleen leidt niet vanzelf tot positieve wederkerigheid, met name omdat pleegouders hun pleegkinderen vaak te veel afstand en ruimte geven. Vacuüm van onveiligheid en ongeborgenheid cq emotioneel vacuüm moet worden doorbroken.
Doel:
- herstel van worteling in de wereld via een volwassene
- wederkerigheid ipv schijnverbondenheid
- ontwikkelen van gezonde beheersingspatronen mbt angst en spanning (ipv zelfhandhavingspatronen)
Middel: emotionele omsluiting, gevolgd door verhaaltjes, rollenspelen, stoeipartijen, dramatiseren van contact, knuffelen, gepaard gaande met het continu benoemen van het gevoel. Op deze wijze worden gevoelens van angst en spanning langzamerhand beheersbaar. Het begin van de vooruitgang wordt gekenmerkt door het beleven van plezier aan samenzijn.
Duur: gemiddeld twee jaar

VideoInteractieBegeleiding

Doel: vergroten van sensitiviteit en responsiviteit van pleegouders en het bevorderen van positieve opvoeder-kindinteracties.
VIB-principes:
1) initiatief/actie kind
2) ontvangst pleegouders
• zonder woorden: intonatie, toewending, oogcontact, gezichtsexpressie, jaknikken, toon/klank van de stem
• met woorden: ontvangstbevestiging (van wat gezegd is) of benoemen (van gedrag, gevoelens, wensen, gedachten, intenties; expliciet, stellend of instemmend)
3) initiatief pleegouders
mening geven, jezelf benoemen, kring maken/beurt verdelen, uitdiepen, babbelen, voorstel doen, tegenstellingen benoemen, positief voorzeggen, compliment geven
4) initiatief of reactie kind

Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Reactie plaatsen

Logt u a.u.b. in om een reactie te plaatsen.

Waardering

Waardering is alleen beschikbaar voor leden.

Logt u a.u.b. in om te stemmen.

Er zijn nog geen waarderingen gegeven.



Verwerkingstijd: 0.07 seconden
2,943,443 unieke bezoeken